Wat is optimaal trainen. Hoe boek je progressie in snelheid, hoe blijf je goed lopen, hoe houdt je je duurvermogen in stand of bouw je het uit? Die vraag wordt regelmatige gesteld en zeker nadat men kennis heeft genomen van de Souplessemethode

De kern/romp van de Souplessemethode is de basis. Afhankelijk van doelen en specifieke afstanden vindt het finetunen plaats via de ‘specials’.

 De basis van de trainingen zijn:

 -          15 x 200 meter, iedere 200 meter gevolgd door 50 meter wandelen, 100 meter dribbelen en 50 meter wandelen

-          10 x 400 meter, iedere 400 meter gevolgd door 100 meter wandelen 200 meter dribbelen en 100 meter wandelen

-          6 x 1000 meter, iedere 1000 meter gevolgd door 100 meter wandelen, 600 meter dribbelen, 100 meter wandelen.

Dit schema wordt in deze volgorde bij voortduring, als in een ritme, afgewerkt.

De tijden waarin deze afstanden worden gelopen, worden steeds afgeleid van de meest recente 10 km tijd. Het zijn extensieve intervallen, waarbij de tempo’s van de 200 meter hoger liggen dan de 400 meters en de 400 meters weer hoger dan de 1000 meters.

Wil je deze trainingsmethode dus goed uitvoeren, dan moet je steeds de voor jou geldende tempo’s controleren of ze nog correct zijn. Immers een snellere 10 km vereist weer een aanpassing van de verschillende tempo’s.

Deze omvang van jouw trainingen is in iedere geval voldoende voor afstanden tot 15 km.

Wat zijn dan de specials: dat is een specifieke onderdeel van een training gericht op de afstand die je wilt lopen. De souplessemehode verschaft je een sterke ‘algemene’ basis van waaruit je een specifieke afstand goed wilt gaan lopen.

Daarom is het goed om je vooraf aan een seizoen of een bepaalde periode doelen te stellen: welke lopen/wedstrijden, wil ik gaan doen. Als je dit helder hebt is dit bepalend voor je specifieke trainingsinhoud (schema). Zo kom je tot een meer evenwichtige opbouw van jouw loopseizoen en breng je periodisering aan in je trainingsarbeid. Dus niet continu op hoge intensiteit of lage intensiteit, maar afwisselend periodes van meer of minder rust.

Vanuit deze basis kun je je specifiek richten op een bepaalde afstand. Wil je een snelle 5 km lopen?

Dan doe je er verstandig aan om zo’n 6 weken vooraf je trainingsschema toe te spitsen op deze 5 km. Dit houdt in dat er wat meer matige tot zwaardere verzuringstrainingen en (enkele) snelle wisselduurlopen van 6 – 8 km. Verder beperk je de omvang iets van de intervallen. Wisselduurlopen bestaan uit langzame duurlopen, waarbij iedere 1000 meter een halve minuut tot een hele minuut versneld wordt. 

Bij de andere afstanden is het verstandig om het vaartspel in het schema op te nemen, waarin ook verzuringstrainingen zijn opgenomen. Ook hier kunnen/ moeten dan wisselduurlopen in het schema opgenomen worden, waardij de omvang afhankelijk is van de te lopen afstand. 

Samengevat: de Souplessemethode is de basis van waaruit specifiek op de te lopen afstanden het trainingsschema wordt gevuld. Afhankelijk van de afstand is de duur van de specifieke training verschillend ( 5 km – 6 week, 10 km en verder 13 weken). Deze methode bevorderd een reactieve, veerkrachtige manier van hardlopen en voorkomt het ‘sloffend’ lopen: de marathonshuffel..